Vind de lekkerste recepten!

Je kunt met onze zoekmachine snel en eenvoudig recepten vinden voor je rijsttafel.

De populairste zoektermen

Mossel

Vertaling

Remis

Latijn

Mytilus edulis

Kenmerken

Mytilus edulis is de naam van de eetbare mossel. De mossel is hoogstwaarschijnlijk het meest voorkomende dier aan de kust. De soort wordt ook wel 'gewone' of 'eetbare mossel' genoemd. Hij leeft vooral in de getijdenzone. De kleur van de schelp van de mosselen is meestal blauwzwart, bij jonge mosselen tot doorzichtig geel. De binnenzijde van de schelp is vaak bekleed met parelmoer.

Je kunt mosselen vrij makkelijk herkennen aan hun lange, asymmetrische vorm. Ze hebben een harde en dunne schelp, om zich te verdedigen tegen roofdieren. De befaamde mosselbanken ontstaan doordat vele mossels zich vestigen op een harde ondergrond. Hoe idealer de plaats, hoe meer mosselen er zijn. Een mossel kan vijftien jaar oud worden.

De mossel leeft het liefst op een harde zeebodem, zoals rotsen. Ook kunnen ze zich hechten aan basaltblokken, die als dijkversteviging langs de kust liggen. Ook leven ze op kleibanken, waar ze zich aan soortgenoten vasthechten en zodoende de bekende mosselbanken vormen. Ze moeten de kracht van de golven weerstaan. Doordat de mossel een gestroomlijnde schelp heeft, glijdt het water er makkelijk langs.

Maar de mossel zou dan nog kunnen wegdrijven. Om zich hiertegen te beveiligen, verankert de mossel zich aan zijn plaats met behulp van de byssusdraden. Deze draden zijn uit eiwitten gemaakt. Ze worden als een kleverig goedje uitgescheiden door de voetklier. Na enige tijd verharden ze en worden ze taai en elastisch. Met deze draden is de mossel in staat de zwaarste stormen te overleven.

De mossel leeft vooral in de getijdengebieden (eb en vloed). Bij eb staat de mossel boven water. Hij sluit zijn schelp en kan zo maximaal 6 uur boven water overleven. Duurt het opsluiten langer dan zes uur, dan sterft hij. Bij vloed staat de mossel onder water. De kleppen worden langzaam van elkaar gescheiden. Nu kunnen ze rustig eten.

De mossel hoeft nooit eten te zoeken. Het enige wat hij hoeft te doen is 'zijn huisje' te openen. Daarna steekt de mossel twee sipho's (adempijpen) naar buiten. Eťn van de sipho's zuigt water naar binnen. Het water komt voorbij een rij van kieuwen. Deze halen uit het voorbij stromende water zuurstof en voedsel. Het water wordt door de kieuwen voortgeduwd door ciliŽn, of beweeglijke trilharen. Deze ciliŽn nemen het voedsel op en verplaatsen het naar een slijmlaag, die dan de voedseldeeltjes naar de maag brengt. Het voedsel van de mossel is voornamelijk plankton.

Mosselen worden op grote schaal geteeld in Europa. Spanje is de grootste leverancier gevolgd door Zeeland. Vooral de mosselen uit het Zeeuwse Yerseke zijn bekend.

Soorten

- Zoetwatermossel
- Zoutwatermossel
- Eendenmossel

Smaak

Mosselen zijn als 'zeevrucht' een bekend ingrediŽnt, ze bevatten eiwitten, mineralen, vitaminen, fosfor, ijzer, jodium en seleen. Mosselen zijn extreem mager: 100 gram gekookt mosselvlees levert 70 kcal. Per 100 gram bevat een mossel slechts 1 procent vet. Bovendien behoort het grootste gedeelte van het vet van de mossel tot de categorie meervoudig onverzadigde vetzuren die juist cholesterolverlagend werken.

Mosselen kan je, net als oesters, rauw eten alhoewel het wel een karwei is om de schelpen stuk voor stuk met een scherp mes open te maken. Eenvoudiger is het om de mosselen kort te koken. Zodra de schelp open gaat is de mossel klaar om opgediend te worden. Zij hebben dan nog de frisse, zilte smaak. Als je mosselen te lang laat koken worden ze taai en donkerbruin.

Als je de mossel uit de verpakking gehaald wordt, reageert hij traag. Houd de open mossel met de bolle kant onder de koude kraan en tik tegelijkertijd tegen de schelp. De mossel lijkt Ďwakkerí te worden. Mosselen waarvan de schelp stuk of beschadigd is, kun je het beste weggooien.

Herkomst

De mossel behoort met een aantal andere weekdieren tot een groep van soorten die een oorsprong in de Grote Oceaan hebben. Er wordt aangenomen dat deze soorten vanaf het vroeg Plioceen via de Beringstraat naar de Atlantische Oceaan zijn gemigreerd. Tot deze zogenaamde 'Pacifische groep' behoren onder andere ook de strandgaper, de uitgestorven Acila cobboldiae, het nonnetje, de wulk, alikruik en purperslak.

Teelt

Zoals de meeste tweekleppigen vindt de voortplanting buiten de dieren in het zeewater plaats. In april tot en met juni is de voortplantingstijd. Min of meer gelijktijdig worden miljoenen eitjes en zaadcellen van vele volwassen dieren het water in gespoten. In het zeewater vindt de bevruchting plaats. Er ontstaat dan een larve die als plankton verder leeft.

Na ongeveer ťťn maand wordt de larvale schelp gevormd, die gedurende enige tijd verder aangroeit. De larvale schelp ziet er nog niet zo uit als die van de volwassen mossel. Na verloop van tijd wordt de schelp te zwaar voor een zwevende levenswijze en zakt het 'broed' naar de zeebodem.

De fase is verder kritiek omdat ook op de zeebodem veel predators aanwezig zijn. Slechts een gering deel van de oorspronkelijke larvenpopulatie komt terecht op een geschikte plek en overleeft de eerste periode. Mosselen van ongeveer 1 centimeter noemt men mosselzaad. Wanneer de mosselen circa vier tot vijf centimeter groot zijn, worden ze halfwasmosselen genoemd. Na ongeveer twee jaar zijn de mosselen zes tot zeven centimeter groot en geschikt als consumptiemossel.

De mossel leeft op een vast substraat omdat hij aanhechting voor de byssusdraden nodig heeft. Het substraat kan bestaan uit een stenen ondergrond, maar oude veenbanken en oude verharde kleibodems die op de zeebodem aanwezig kunnen zijn, voldoen ook. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van andere organismen met een hard skelet, zoals bijvoorbeeld grote schelpen. Dat kunnen ook soortgenoten zijn. Door zijn stevige verankering door middel van de byssusdraden zijn mossels in staat zich in zeer onrustig water te handhaven.

Omdat het dier een weinig mobiele levenswijze heeft, is het niet in staat om zich tegen sedimentatie van zand en slib boven op de schelp te verweren door zich te verplaatsen. Daarom is een vestiging in onrustig water ook gunstig omdat daarmee het substraat vrij van sediment gehouden wordt.

Een plek waar mossels vaak voorkomen is de omgeving van de laagwaterlijn in een waddengebied. Op deze plaats kunnen zich mosselbanken vormen. Dit kunnen enorme opeenhopingen van levende en dode mossels zijn. De schelpen vormen het harde substraat voor jonge mossels en op deze wijze kan zich een rifachtige structuur, een mosselbank vormen.

Een mossel kan bij eb ongeveer 6 uur boven water blijven. Veel langer wordt niet verdragen, dan zal hij sterven. Tijdens eb wordt de schelp met behulp van de sluitspier gesloten gehouden om uitdroging te voorkomen. Bij vloed staat de mossel onder water, de sluitspier ontspant en de kleppen openen zich waardoor voedsel uit het water kan worden gefilterd. Het voedsel van de mossel bestaat voornamelijk uit plankton. Andere zwevende stof, zoals slib en dergelijke wordt eveneens uit het water gefilterd.

De belangrijkste natuurlijke vijanden van de mossel zijn waadvogels, zoals de scholekster, de eidereend en de zee-eend. Bij laag water zoekt de scholekster de mossels op en verbrijzelt ze of wrikt ze met haar snavel open. Daarnaast zijn zeesterren ondanks hun slome beweging geduchte roofdieren. Een zeester kruipt op de mossel en trekt met zijn armen de twee schelpdelen van elkaar en eet het zachte vlees op.

Verkrijgbaar

Vanaf de tweede helft van juli tot de eerste helft van april in het jaar daarop zijn in de supermarkt en bij de visspeciaal zaken verse Zeeuwse mosselen verkrijgbaar.

Leuke weetjes

In rauwe schaal- en schelpdieren zoals rauwe mosselen of rauwe oesters kan het norovirus aanwezig zijn. Dit kun je niet zien of ruiken, maar je kunt dan wel last krijgen van misselijkheid, braken en diarree. Om dit risico niet te lopen, kun je mosselen en oesters beter niet rauw eten.

Voedingswaarden van mosselen ( per 100 gr. )
74
311
84,2
9,8
2
-
3
1
0,9
0,7
90
-
Vitamines van mosselen ( per 100 gr. )
0,05
0,16
0,22
0,05
30
30
2
-
Mineralen van mosselen ( per 100 gr. )
300
270
30
250
5,2
20
0,2
1,8